INNIG DEEL

Lieve HEER,

Wát u mij ook deelt- Ú
deelt daar in mee.

Of had ik Ú niet meegedeeld dat ik
de Uwe was en deelde Ú mij mee
dat Ú de mijne was?

Wie eerst kwam
was Ú.

Het Uwe werd
mijne.

Al het mijne is
het Uwe. 

Gevend mij
levend aan Ú.

Jezus! Mijn enig
innig deel.

OVERVLOED

Jezus! Ik zag Hém
zo schoon.

Stralend deelde
Hij het uit.

Ik nam en
at en dronk.

Genade groot
en groter.

Zo mooi
wat ik kreeg.

Overvloedig
als
Hij is.

 Kom je
ook?

 God heeft 
  genoeg.

ER KOMT HULP

Jakobus 1:2-6

Beproevingen.

De één na
de ander.

Lang van duur of
krachtig kort.

Leef ondanks
alles.

Stil in
vreugde.

Goede
reden.

Niet de
  moeite.

Wel want
God hélpt.

Weet dit bij
voorbaat.

Geloof dat
beproefd wordt.

Traint het
uithouden.

Tot
Hém.

Niet een
mens.

Hij maakt
wijs.

Ja God
  helpt.

Zonder
reserves.

Wie het Hem
vráágt.

Ook zonder
  reserves.

JA WOORD

Gods kind
zegt ja.

Tegen Hém en
de
 mensen.

Ja mijn man mijn vrouw.
Lief als ik je heb.

Ja ons kind. Graag
als wij je kregen.

Ja ik zorg voor je.
En ik koester je.

Ja al mijn
naasten.

Ik heb
lief.

Ja werk- ja de taak.
Tot Úw dienst.

Ja doodlopende weg.
Ja ziekte. Ja gemis.

Een kind zégt
geen nee.

Want God
blijft goed.

Ja- verdrukking.
Zij brengt hoop.

Ja-moeite.
Vader weet het.

God lief en
de mens.

Ja en
amen.

GASTHEER

Zalig die
mens.

Wachtende
slaaf.

Permanent
paraat.

Hij dient
geen mens.

Slechts
de HEER.

Wie merkt
het op?

De Meester!

Komt Jezus
terug?

Alles wordt
anders.

Bedient Hij
die slaaf.

Hoffelijke
 Gastheer.

Lukas 12:37

BRUILOFT

Als was het gisteren.

Grote Goedheid! Hij
van hoge komaf. En ik.

Dood uit de wereld wijd en goot. God
raapte mij en hulde.

Mij in Jezus kleed. Een feest van
bruiloft nu op handen. Opgewekt!

Noem mij het
genadewoord.

Of hád Hij mij niet voorbij
kunnen gaan als Hij dat wilde?

Hij had maar wílde niet en stond. Zo
stil en raapte mij.

En nóg is er niets in mij wat
Hem aanspreekt.  

Ja Zijn werk.

‘t Gegeven en in bloed
geweven kleed-

dát spreekt Hem aan
in mij. Jezus!

Mijn bruidegom
lief.

Die Éne uit
allen.

ZIJ LACHT

Spreuken 31:25

Zij lacht.

En dat als de
dag nog komen moet.

Sterkte en glorie
omhult haar.

God gaf
 zich weg.

En onbezorgd
wel bezig.

Heilig lacht zij want
zij weet het.

In vertrouwen.
Jezus!

Alles
mogelijk.

Man in
zijn kracht. 

Hij geeft en
geeft.

En geeft
het haar.

Houdt Hij
niet op?

Houdt zij
niet op.

 En lacht
Hém
toe.

BEDENK CHRISTUS

Col.3:22

Wij de
aarde.

God de
hemel.

In al ons
bedenken.

Eén
Verlosser.

Wie
boven is.

Christus
vervangend ons.

Hij bedenkt
óns.

In genade
amen.

Bedenkend
 onze zonden.

Bedenken
wij Hém.

Genade vervangt
ons kwaad.

Een grote
  gedachte.

Bedenkend 
ons leed.

Bedenken
wij Hém.

Zo vult
 God ons.

Wat een
eer.

Ja voor
Hém.