NAASTEN ZO LIEF

Jij en ik zijn lief. Als kostbaar geacht door God. Dat is nogal veel. Eerst schiep Hij ons. Toen keerden wij ons van Hem af. Daarna schiep Hij ons opnieuw.

En noemt ons nieuw. Lief. Witter dan sneeuw.
Bij Zijn gratie! Wij zo geliefd ondánks ons.

Nu die naasten. Ik noem even de moeilijke naasten. Ze zijn er. Heb ze lief. Dat is niet makkelijk gezegd. Het is de blik richten óp de gratie. Daarna op die naaste.

O God- U vergaf mij. En vergeeft mij nu. Wat zal ik U geven?
Ik zal U mijn hart geven. Dat wil zeggen aan mijn naasten.