BRUILOFT

Als was het gisteren.

Grote Goedheid! Hij
van hoge komaf. En ik.

Dood uit de wereld wijd en goot. God
raapte mij en hulde.

Mij in Jezus kleed. Een feest van
bruiloft nu op handen. Opgewekt!

Noem mij het
genadewoord.

Of hád Hij mij niet voorbij
kunnen gaan als Hij dat wilde?

Hij had maar wílde niet en stond. Zo
stil en raapte mij.

En nóg is er niets in mij wat
Hem aanspreekt.  

Ja Zijn werk.

’t Gegeven en in bloed
geweven kleed-

dát spreekt Hem aan
in mij. Jezus!

Mijn bruidegom
lief.

Die Éne uit
allen.