GASTVRIJ ONTHAAL

Vergeet de
herberg niet.

 Onthaal in huis
en hart.

 Wie weet –
God weet!

Geef een engel
alle ruimte.

 Brengt hemel
vol bericht.

Een engel stel
je voor.

Het kan je kind
ook zijn.  

Behandel het
als gast.

God leent
het even uit.

Hebr. 13: 2 Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen geherbergd.

Grieks: engel is aggelos  (boodschapper)
Zie ook Matth 11:2 Joh. de Doper was een aggelos. 

WIJ ZIEN MEER

Wij zien Jezus.

In de vriendelijkheid
van 
een naaste.

In hulp die
uit onverwachte 
hoek tot ons komt.

Nog het meest
in de troost die 

daarin verborgen is.

Want wij zien Góds
vriendelijk aangezicht. En Zijn
uitgestoken hand.

VOORKEUR

Ja ik heb 
 voorkeur.

Jezus! En riep
Hem aan.

Dien ik Ú
dan geen mens
geen materie.

Ja de mens
námens U
niet mij.

Ja materie
tot Úw dienst
niet mij.

Precies zo wil 
ik het en doe
zo niet.

Jezus! Roep
ik uit en doe
Uw werk in mij. 

Opdát ik geen
  afgod omarme.

U van Uw 
voetstuk valt.

Amen

REKEN MIJ RIJK

Jesaja 30:18 

Geluk wacht wie
wacht.

Allerhoogste
ontférmt.

Over 
allerlaagste.

O mijn
God!

Had die lage
geen Hoge!

Wie had zij
wel o
f wat? 

Zij hééft.

Hem
levend en zij
 geeft.

 

GEBEDSLEVEN

Hebreeën 7:25

Leven in
zijn rust.

Biddend is Hij
alles voor.

Ik bid voor je
zegt Jezus.

Ja en niet
eenmalig.

Mijn hemel
vol gebed.

Ik voor
jou.

God aan
zij.
 
De Geest
aan zet.

O kracht en
almacht.

 Ik bid Hém
 liefde toe. 

VADER WEET WAT GOED IS

Ik heb 
te zwijgen. 

Te wachten 
te hopen.

Zoekend naar
woorden.

Om die
te bidden.

Zijn zij er
niet? Ik zucht.

Verlos mij
en opnieuw.

Ja Heer zie!
-mij aan-

Áls er dan
geen woord is.

Ú weet
het al.

Ú. 

En zwijgend
stem ik toe.

HOGEPRIESTER

Hebr. 7:26 

Eer zij God.

In de hoge
in de lage.

Net wat ik 
nodig had.

Gebed en 
onbesmet.

Jezus in
mijn plaats.

Groot in
onschuld.

Heilig waar 
ik niet.

O Hij houdt
de liefde vol. 

Bij hoog 
en bij laag.

LOFTROMPET

God! Wat
een schoonheid
schuilt in Ú.

Grote
woorden.

Grote
daden.

Uw schat vond ik 
en herlees.

Blijk ik
erfgenaam.

Omhels
ik
U.

Wanneer
mijn HEER?

Goddelijk
genoeg.

Heb ik
aan Ú.

KUS DE ZOON

Wie aandacht krijgt groeit- zegt de tijd
tegen mij- zeg ik tegen God. Ú.

Jezus! U wil ik
aandacht geven.

Opdat U
groeit.

Woord
gelovend.

Uw offer
belevend.

Uw liefde
omarmend.

Ú gaf het
mij.

Niet ik
    aan Ú.   

Uw hart
mijn hart.

Vuur voor
Ú mijn God.   

Terwijl ik Uw toorn op waarde
probeer te schatten wanneer ik dit alles
niet hartelijk zou belijden.

Ik kan het niet
inschatten.

Uw toorn zou buitengewoon
zwaar ontbranden.

U heb ik lief.

Psalm 2:12

INNIG DEEL

Lieve HEER,

Wát u mij ook deelt- Ú
deelt daar in mee.

Of had ik Ú niet meegedeeld dat ik
de Uwe was en deelde Ú mij mee
dat Ú de mijne was?

Wie eerst kwam
was Ú.

Het Uwe werd
mijne.

Al het mijne is
het Uwe. 

Gevend mij
levend aan Ú.

Jezus! Mijn enig
innig deel.